donderdag 13 oktober 2016

Immigrant

Ja, ik ben een immigrant, part-time, maar toch. En ja, ik wil me aanpassen aan de normen en waarden van dit land, Zweden. De stap van het ene westerse land naar het andere moet ook niet zo moeilijk zijn, toch?
Al heel wat gewend luister ik naar het nieuws.
De rechter veroordeelt twee mannen slechts voor verkrachting en niet voor ernstig seksueel misbruik. Ze hebben weliswaar samen één vrouw te pakken genomen, maar om de beurt, niet tegelijk.
Een vluchteling uit Bangladesh is teruggestuurd, omdat hij een baan als accountant had gekregen via LinkedIn. Nu is hij aan de telefoon, blij, hij mag na vijf maanden weer naar Zweden komen: inmiddels heeft hij via het Arbeidsbureau werk gekregen. En zo hoort het.
In ‘Boer zoekt vrouw’ zijn twee boeren op zoek naar een vrouw en twee boerinnen naar een man. De speed date is geweest. De boeren praten na, afgescheiden van de briefschrijvers. De volgende dag moeten ze hun eerste keuze maken.
Interview op de rand van een overhoop gehaald bed. Er was een vonk overgeslagen en zo belandden een boer (21) en boerin (43), geheel tegen de regels, met elkaar in dat bed. Ze hebben berouw, willen toch wel verder met het programma en even later staan ze vrolijk hun keus te maken uit het aanbod.
Ik kom dus uit een westers land.....

donderdag 15 september 2016

Co-incident 17

Vanmiddag ontmoet ik hem voor de tweede keer: Hazar, sinds kort vrijwilliger in het Stadshuus. Hij kijkt blij, zijn brillenglazen beslaan zelfs: zijn vrouw en twee kinderen komen volgende week over uit Syrië, vertelt hij. Ruim een jaar heeft hij ze niet gezien en nu mogen ze bij hem komen wonen in Lochem. Buiten is het 30 graden, maar ik krijg kippenvel.
Sinds kort gaat Hazar naar school: een cursus Nederlands op Saxion. Hij studeert wel zes uur per dag om onze taal te leren. Heeft hij nodig om een master Levensmiddelentechnologie in Wageningen te doen.

Ik vraag wat door, want eerlijk gezegd heb ik geen idee hoeveel Syriërs inmiddels in Lochem wonen. Hij schat zo'n tien tot vijftien, maar heeft geen contact met hen. Op één na: een buurman uit Syrië die dáár hemelsbreed net zo ver van hem vandaan woonde als nu in Lochem.....

Co-incident 16

Ik ben druk maar kan tegelijk ook niet tegen de stilte in huis. We bereiden weer een Canto-concert voor, in de tuinen van de Wildenborch. Voor het gemak zet Classic FM op. Die muziek is nooit moeilijk. Voor het persbericht heb ik nog niet alle gegevens, dus ik bel Rien. Dan klinkt uit de luidsprekers de Canto Ostinato.

vrijdag 23 januari 2015

Co-incident 15


Iedere werkdag krijg ik per mail een gedicht toegestuurd. 2 april 2014 is dat ‘De blauwe stoel’ van J.B. Charles. Vaak spreekt de keus mij niet aan, maar deze keer lees ik het gedicht zelfs twee keer. De manier waarop woorden hier beelden tekenen, past bij mijn talige denken.
De volgende dag houdt Maria Barnas de Stadhuislezing van Dag Lochem: ‘De vlag op de maan is wit, een poging om aan de hand van gedichten en filmfragmenten te laten zien hoe beeld en taal zich in mijn werk tot elkaar verhouden’. Ik ben geboeid, maar snap ook veel niet van wat zij vertelt en laat zien. Alleen dat ene gedicht, van J.B. Charles: ‘De blauwe stoel’, dat dringt door.

De blauwe stoel

Ik schreef een huis, ik schreef de vloeren
van rode baksteen maar met witte voegen.
Ik schreef toen planken aan elkander tot wanden.

Ook heb ik niet vergeten een venster
er in te schrijven met vier boerenruiten.
Een ogenblik keek ik voldaan naar buiten.

Wat ik toen zag dat was een dijk achter de weiden.
En had het daarbij nu maar kunnen blijven!
Maar die naar buiten kijkt is al ten halve gegaan:
wat zou ik zien achter de dijk om op te schrijven?

Het was de zee, jawel, maar laat ik nou hebben vergeten
om voor terug in 't huis een deur te schrijven.
Een venster laat wel iemand uit, maar niet er in en
nu kijk ik eenzaam door het raam naar binnen.

Gelukkig, denk ik, kan mij niet worden verweten
dat in mijn haast zonet ik heb vergeten
die blauwe armstoel op de rode vloer te schrijven.

Ach, mocht ik nu maar eenmaal even
mijn rug genoeglijk in zijn leuning wrijven!
Maar ik zal niet gemakkelijk toegang krijgen
tot 't huis dat ik toch eigenhandig heb geschreven.

Voor Wim S.

J.B. Charles (1910-1983)

Co-incident 14


Het was zomer 1972. Vier weken duurde onze verkenningstocht door Noorwegen en nu waren we op weg naar huis, Eddie, Hans en ik, in ons rode VW-busje met paarse bumpers en paarse gordijntjes. Veel gezien, veel beleefd. 

Aan de Zweedse kant van de grens bij Strömstad barstte het van de kraampjes met porno-artikelen. Een eindje verderop stond een eenzame lifter. Hij zag er wel betrouwbaar uit: van onze leeftijd, zelfde soort kleding, grote rugzak. We besloten om hem mee te nemen; hoe vaak hadden we zelf niet zo met de duim omhoog gestaan?

Hij bleek een ‘Fältis’ te zijn: lid van Fältbiologerna, de Zweedse variant van de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, waarvan we zelf lid waren. Hij had wel eens NJN-kampen meegemaakt, net als wij op Schiermonnikoog. Niet dezelfde, wel in hetzelfde jaar. En dus kende hij ook dezelfde mensen als wij, zoals Dieuwke de Heer, een naam die je bijblijft.

Nu was hij onderweg naar een vriend die in het zomerhuis van zijn ouders bivakkeerde in Fiskebäckskil; we oefenden lang op de uitspraak. Hij nodigde ons uit om met hem mee te gaan en bij hen te overnachten. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. In het souterrain van een groot huis aten de beide jongens broodjes met (aan de buitenkant!) onze hagelslag en wij proefden hun kanelbullar. Daarna lieten ze ons het lichten van de zee zien. ‘Mareld’, zeevuur. Een indrukwekkende ervaring.

Voor we de volgende dag verder reden naar huis namen ze ons nog mee naar het biologisch station. 2010: 38 jaar na dato zijn we teruggegaan. We vonden het huis terug en herkenden de ligging aan het water.

zondag 2 maart 2014

Einde van een oorlog!?

Eind jaren negentig van de vorige eeuw werden mensen geïnterviewd die omstreeks 1900 zijn geboren: wat had indruk gemaakt, wat hadden ze onthouden en wat deed er niet toe? Ze vertelden veel over de oorlog. Gaandeweg de gesprekken kregen de interviewers in de gaten dat deze 'eeuwelingen' het niet hadden over WOII, maar over de jaren tussen 1914 en 1918. Hoewel ze toen nog vrij jong waren, had die Eerste Wereldoorlog veel meer indruk gemaakt dan de tweede, terwijl ze die veel bewuster meegemaakt moesten hebben.

Nu er weer een tv-serie over de Tweede Wereldoorlog is gemaakt, die naar het schijnt heel goed is en veel emoties losmaakt, moet ik denken aan de invloed die die oorlog op mij, na-oorlogse babyboomer, heeft gehad. Thuis werd veel over de oorlog gepraat, wij hadden veel vragen. Toen ik in de vijfde klas zat vierde Lochem vijftien jaar bevrijding met een grote optocht. In die tijd verscheen ook de serie van Lou de Jong 'De Bezetting', door mijn vader verslonden.

Tezelfdertijd moet mij door een onderwijzer gevraagd zijn: "Wat deed jouw vader tijdens de oorlog?" Mij van geen kwaad bewust en geheel naar waarheid vertelde ik dat hij in Duitsland in een fabriek had gewerkt. De precieze reactie van de leerkracht herinner ik me niet meer. Het gevoel dat hij me gaf, dat mijn vader met de vijand had geheuld, des te beter.

Dat verwarde me zeer, want ik wist heel goed dat mijn vader, achttien bij het uitbreken van de oorlog, alles wat met Hitler te maken had tot op het merg verafschuwde. Hij wees ons al heel vroeg op de gevaren van demagogie en massale bijeenkomsten. Hij wilde niets te maken hebben met NSB'ers, van wie er veel waren in Lochem. In Amsterdam had hij een razzia gezien op joden en was daarvan nog steeds kapot. Hij was pacifist en voedde ons zo op: nooit meer oorlog. Uitgerekend hij zou dus de vijand ter wille zijn geweest? Ik heb met hem hierover nooit durven praten, vertelde nooit meer over zijn 'oorlogsverleden', schaamde me.

Een van de eerste kinderboeken over de oorlog was 'Reis door de nacht' van Anne de Vries. Vier delen waarin een paar jongens alles meemaakten wat er in de oorlog was gebeurd en heel goed wisten wie goed en wie fout waren. In een notendop kreeg de lezer veel informatie over wat er zoal op het slagveld, in het verzet en met onderduikers was gebeurd. Begin jaren tachtig verschenen er meer genuanceerde boeken voor jongeren: 'Oorlogswinter' van Jan Terlouw en 'Oorlog zonder vrienden' door Evert Hartman. Het laatste is geschreven vanuit het perspectief van een zoon van een NSB'er. Er kwam een kentering in het zwart-wit denken. De film 'Soldaat van Oranje' droeg daar ook aan bij, vermoed ik.

In die tijd gaf ik Nederlands aan de brugklassen van een grote scholengemeenschap. Ik las zelf veel jeugdliteratuur en nam stapels boeken mee de klas in om mijn leerlingen aan het lezen te krijgen. Mijn enthousiasme over wat ik had gelezen was besmettelijk: ze namen de boeken mee naar huis en maakten veelal met plezier boekverslagen die we dan weer samen bespraken. Dertig jaar later vertelde een van hen dat ze door mijn lessen nog steeds veel leest.

Tijdens de koffie in de lerarenkamer kwam ook de 'nieuwe' literatuur over de oorlog ter sprake. We hadden in onze dependance een conrector, Henny Stip, een ouderwetse onderwijzer met een enorme geschiedkundige kennis. Hoe het zo kwam weet ik niet, maar in een gesprek met hem 'bekende' ik het oorlogsverleden van mijn vader en dat ik me daar voor schaamde. Hij reageerde op een voor mij volkomen onverwachte manier, legde uit dat het toch niet anders kon, dat tienduizenden jonge mannen hetzelfde hadden gedaan. Ze hadden toch niet allemaal kunnen onderduiken? Wat gebeurde er met hen als ze opgepakt werden? Ze waren toch jong in een andere tijd, waarin je, meer dan nu, gehoorzaamde? Waren ze nu dan 'fout'? Hadden ze allemaal in het verzet moeten gaan? Waren ze dan 'goed' geweest? Was iedereen in het verzet een held? Wat te denken van een vader van vijf kinderen die zijn leven op het spel zette voor het vaderland? Hoeveel avonturiers waren er onder de verzetsstrijders?

Nu kwamen ook de onwaarschijnlijke verhalen van mijn vader bij me boven, over hoe 'goede' vaderlanders zich na de bevrijding gedroegen tegenover 'foute'. Dat een man bij ons in de straat, voormalig SS'er, meteen na de oorlog in de gevangenis zijn vrouw leerde kennen, lid van de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten. Ik vond een paar schriften met mijn vaders dagboeken uit de periodes dat hij in Duitsland had gewerkt, op sommige plaatsen uitgegumd. Inmiddels wist ik dat hij beide keren ernstig geestesziek naar huis was gestuurd; alles in hem kwam in opstand tegen zijn situatie.

Henny Stip heeft mij met zijn reactie niet alleen aan het denken gezet, hij heeft me ook geholpen om de oorlogshelden van een andere kant te zien. Maar bovenal heeft hij me de vrijheid teruggegeven om te vertellen wat mijn vader in de oorlog heeft gedaan. En trots op hem te zijn.

Co-incident 13

Tijdens het inpakken van de boekenkasten in het nieuwe appartement van zijn schoonzuster houd ik Jan (83) van het werk. Hij vertelt over zijn eigen verhuizing naar een 'bejaardenflat' en wat dat voor hem betekende. Hij heeft weinig contact met de nieuwe buren, maar praat de laatste weken veel en indringend met een buurvrouw, over de nieuwe tv-serie over WOII. Vertelt dat die zoveel losmaakt, dat ze er soms om moeten huilen. We krijgen het over 'De eeuwelingen' die zich vooral de oorlog van '14-'18 herinnerden en over Henny Stip die mij begin jaren tachtig afhielp van de schaamte over mijn vaders dwangarbeid in Duitsland. Henny, conrector en mijn baas op de school waar ik werkte, een man met een grote historische interesse.
Jan valt stil, denkt zichtbaar na en zegt dan: "Díe naam zocht ik van de week. Dat is toevallig! Hij was degene die toen met Wim Würsten pleitte voor naast Engels meer Duits op school. Dezelfde discussie die nu weer wordt gevoerd in Enschede. Ik zag hem voor me, maar kon niet op zijn naam komen."
Ik zeg Jan dat ik niet houd van het woord 'toeval', vertel over mijn co-incidenten en zeg dat dit er ook zo een is. "Goh," zegt hij, "ik gebruik dat woord eigenlijk nooit, maar van de week met mijn buurvrouw had ik het er ineens over."